19 juni 2009

Levensheiliging

Deze kleine monografie dateert van 1955, en is weer een pareltje uit de pen van Kaiser, dat oorspronkelijk debuteerde als een toespraak op een Oude Loo bijeenkomst. Je kunt het hier vinden: http://www.stichtingopenveldwerk.nl/pdf/levensheiliging_searchable.pdf
De titel alleen al is weer een geweldig Kaiser woord. En het treft ons in het hart omdat wij onszelf als alles behalve heilig beschouwen, omdat wij immers met de keuze voor het ego onze ware werkelijkheid als God's Zoon weggegooid hebben, en de kleinheid van het ego, die wij overcompenseren met grootheidswaan, verkozen boven de heelheid en grootsheid van God's zoon. De Cursus zegt het als volgt:
Het is makkelijk om grootheid van grootheidswaan te onderscheiden, want liefde wordt beantwoord, maar hoogmoed niet. Hoogmoed zal geen wonderen teweegbrengen, en zal jou daarom beroven van de ware getuigen van jou werkelijkheid. De waarheid is niet duister of verborgen, maar dat ze voor jou onmiskenbaar is, blijkt uit de vreugde die jij breng aan haar getuigen die haar aan jou tonen. Zij getuigen van jouw groodheid, maar ze kunnen niet getuigen van hoogmoed, omdat hoogmoed niet met anderen kan worden gedeeld. God wil dat jij aanschouwt wat hij geschapen heeft, want daarin schept hij vreugde.
Kan jouw grootheid arrogant zijn, als God zelf daarvan getuigt? En wat kan werkelijk zijn dat geen getuigen heeft? Wat voor goeds kan daaruit voortkomen? En als er niets goeds uit voortkomen kan, kan de Heilige Geest het niet gebruiken. Wat hij niet tot de Wil van God kan transformeren, bestaat in het geheel niet. Grootheidswaan is een waanidee, omdat het gebruikt wordt om de plaats van jouw grootheid in te nemen. Maar niets kan de plaats innemen van wat God geschapen heeft. God is incompleet zonder jou, want Zijn grootheid is totaal, en jij kunt daar niet aan ontbreken. (ECIW:T9.VIII.9-10)
Kortom het is onze kleinheid die eigenlijk arrogantie is, die zegt tegen God dat zijn Zoon NIET is zoals hij geschapen werd, en levensvervulling kan alleen maar zijn juist het achterlaten van de plaatsvervangende schijnwereld van het ego, in verwerkelijking van de ware werkelijkheid van het Zoonschap. Kaiser begint met het spreken over het idee dat 'heilig' natuurlijk niet een kwalificatie is die vanuit wat voor werelds oogmerk dan ook zinnig is, en niets maar dan ook niets van doen heeft met het martelaarschap omderwille van geloofsovertuigingen dat maar al te vaak als kwalificatie voor een heiligverklaring werd aangezien. Om die reden zegt Jezus in de Cursus dat hij leraren zoekt (die zijn leer levend verwerkelijken), en geen martelaars. (cf. ECIW:T6:I.16:3)
Oppervlakkig kan Kaiser soms misverstaan worden, door zijn strenge toon, als hij dingen schrijft zoals: "Heilig-zijn ligt in de handen van de Vader, die dit op Zijn tijd zal laten ondergáán aan diegenen die Hij de Zijnen noemt." (LH p.10) Zulke opmerking dienen echter geheel gezien te worden in hetzelfde soort verband als het beroemde dictum van Jezus in de Cursus, in T3.IV.7:12, dat allen uitverkoren zijn maar slechts weinigen verkiezen om te luisteren. In die zin zijn 'de Zijnen' dus eenvoudigweg diegenen die verkiezen om aan de Roep gehoor te geven. Elders zegt hij in de Cursus ook dat alle kinderen van God speciaal zijn. (cf. ECIW:T1.V.3:6 - "All mijn broeders zijn speciaal.")
Vervolgens ontmantelt Kaiser de notie van het verwerkelijken van idealen, dat hij geheel doorziet in de zin van de idolen die wij aanbidden in plaats van God, wat in de Cursus ook vaak zo overduidelijk ter sprake komt. "... want dat (het najagen van een ideaal) is het zich consolideren in een levenslange droom, waar God op ons ontwaken wacht." (LH, p.10) Idealen in die zin zijn dus voortzettingen van de droom in een andere vorm, een alternatief, waarin het ego steeds aan de macht blijft, de ene ware keuze is tussen onze wil of Gods Wil, en die dienen wij van moment tot moment leren te maken. Hij bespreekt dan ook uit en te na waarom verlossing dus niet iets is dat door een mens aan een ander mens voltrokken kan worden, maar eerst een aanvang neemt door het aanvaarden van de geboden leerschool onder de Leiding van God, of de Heilige Geest, en zo dus in te treden in wat de Cursus de heilige relatie noemt.
In expliciete termen laat hij ook zien dat de herhalingsdrang van het ego in feite de keuze voor de dood, of voor de kruisiging (in Cursus termen) is. En hoezeer wij in het ego bevangen blijven zolang wij ons tot de dualiteit bekennen. Weer haalt hij er ook bij hoezeer godsdiensten in het algemeen juist tot doel hebben de wereldse orde, en dus het denksytsteem van het ego, te bestendigen en te rechtvaardigen, net zoals het Cursus materiaal (in het Psychotherapie-pamflet) ook stelt dat formele religie geen rol heeft in psychotherapie, maar eigenlijk ook niet in werkelijke religie (in de zin van Gods Dienst, zoals Kaiser dat aanduidt in zijn monografie God's Dienst, en godsdiensten, alsook op diverse plaatsten in het huidige boekje).
Ons leven hier noemt hij een verloochening van het wezen van Leven (LH p. 13), een terminologie alweer die ten nauwste aansluit op de notie in de Cursus dat wij in ontkenning van de waarheid en werkelijkheid leven als wij het ego kiezen. Ook is zijn terminologie uiterst rijk in de zin van het beschrijven van de ego samenzwering waar wij allemaal natuurlijk deel van uitmaken, want dat is wat de tijdruimtelijke wereld in stand houdt. Het idee dat metanoia betrekking heeft op een algehele verandering van gedachten, de keuze tussen het denksysteem van de Heilige Geest (bij Kaiser het 'verticale') en het denksysteem van het ego (bij Kaiser het 'horizontale') is ook met grote helderheid en vele uiterst behulpzame inzichten in dit boekje verweven. Het is een keuze van 100%, en het is onze enige echte keuze. Kaiser maakt dat o.a. als volgt duidelijk: "Die ons bevrijdt, verlost, wordt niet gekend, begrepen, of geleid, door dàt waarvàn Hij ons verlost." (p.15) Dat sluit aan bij vele themas in de Cursus, o.a T30.V.1:6, in het idee dat we dingen eerst moeten vergeven voor ze begrepen kunnen worden, dwz, voordat wij onze interpretatie terzijde leren te laten, en ons overgeven aan het inzicht van de Heilige Geest, kan er bij ons geen inzicht dagen, alleen maar een interpretatie.
Waar Jezus in de Cursus dus ook zo duidelijk maakt dat hij niets heeft dat wij niet ook hebben, maar dat hij alleen niets ànders heeft, zodat zijn zijnwijze bij ons vooralsnog alleen maar potentieel is en niet actueel (ECIW:T1.II.3:10-13), daar maakt Kaiser dus ook duidelijk dat de diverse "verlossers" idolen die de godsdiensten zich gemaakt hebben niet tussen de Vader en de Zoon kunnen staan, zodat dus ook would be leraren in die zin ons alleen maar tot nodeloos oponthoud intigeren. En alweer draait het er dus juist om dat verlossing een ervaring is van een totaal andere orde, en dat wij niet van twee walletjes kunnen eten, waartoe het ego ons altijd weer tracht aan te zetten. Kaiser maakt daar korte metten mee. Ondertussen bespreekt hij tussen neus en lippen door de symboliek van de ballingschaps verhalen in de Bijbel, van het Gilgamesj epos, van Noah, en van het leven van Gautama Boeddha.
Even verder (p. 21) bespreekt hij dat God geen 'Normen", overtuigingen of belijdenissen verlost, en dan wordt het woord van Jezus in de Cursus mij weer indachtig, als hij zegt: "Houd vast aan niets. Breng geen enkele gedachte met je mee die je vroeger ooit aan wat dan ook hebt ontleent. Vergeet deze wereld, vergeet deze cursus, en kom met volkomen lege handen tot jouw God." (ECIW:W189.7:3-5)  Vervolgens maakt hij duidelijk dat het proces dat hij "levensheiliging" noemt een aanvang neemt in het verleggen van onze aandacht naar God's aandacht voor ons. M.a.w. in het aanvaarden van ons leven als de beste leerschool om te leren ons oordeel (in goed en kwaad voor onszelf) los te leren laten en daarentegen onder de leiding van de Heilige Geest, de thuisweg te aanvaarden. Indachtig aan het Thomas Evangelie komen ook thema's zoals Logion 3 weer in gedachten. Verlossing begint altijd hier, waar je bent, door het opschorten van ons oordeel, en het luisteren naar de Stem van de Heilige Geest, en het zien met de bril van Jezus, wat alleen mogelijk wordt door onze eigen kijk en interpretatie geheel achterwege te laten.
Als voorbeeld van de nooit eindigende neiging om toch weer onszelf te willen verlossen, haalt hij nog Goethe's Faust aan, als een duidelijk voorbeeld van de eindeloze alternatieven die het ego ons te bieden heeft, en die altijd weer nieuwe vormen van slavernij zijn. Het is de hang naar de magie, om hoe dan ook het ego maar aan de macht te houden, maar die altijd weer neer komt op het verplaatsten van het meubilair in een brandend huis. Dus het thema van wat de Cursus het authoriteitsprobleem noemt loopt hier ook door Kaiser's bespreking, Hij onderscheidt duidelijk de keuze van de ziel ('keuzemaker'), van de beslissingen die wij maken in ons dagelijks doen en laten (p.24). In termen van de Cursus brengt deze behandeling thema's zoals Les 328 uit het Werkboek van de Cursus in gedachten: "Ik kies de tweede plaats om de eerste te verwerven." M.a.w. wij moeten ons volmondig tot de tweede plaats (het Zoonschap) bekennen om weer tot de Vader te komen. Dàt is de ware betekenigs van Jezus als "de Weg, de Waarheid, en het Leven." Met andere woorden, de weg naar de hereniging met God, als de Vader, de Bron, is alleen maar mogelijk door aanvaarding en doorleving van totale aanhankelijkheid en afhankelijkheid van Hem, in verwerkelijking van het Zoonschap, waarvoor Jezus het voorbeeld was. Het godsdienst spelen heeft er weinig mee van doen. Dit is ook waarom Jezus in de Cursus duidelijk maakt dat het een zelf-studie "cursus" is onder zijn leiding.
Van groot belang is ook zijn bespreking van de bekende neiging van het ego om de vorm boven de inhoud te stellen, en alweer is het zijn unieke en poetische verwoording van dit gegeven die volkomen aansluit op de dingen die Jezus in de Cursus zegt, maar die tegelijk een unieke invalshoek biedt, en die juist het lezen van Kaiser's werk zo verrijkend maakt. Op subtiele wijze laat hij ook weer zien hoezeer de gezichtspunten van het ego niets anders zijn dat subtiele zelfrechtvaardiging in herhaling van zelfbevestiging, om zo het Alternatief buiten de deur te houden. De Cursus zegt dat de wereld als een aanval op God werd gemaakt, en Kaiser laat hier zien (p. 28) hoezeer wij alles gebruiken om God en Jezus veilig buiten de deur te houden.
"De waarheid wordt alleen bereikt, wanneer de mens omderwille van zijn eigen verhouding tot de Waarheid wil worden geleid. En die Leiding zelf leert zoeken en vinden in de afschaffing van ieder compromis," zo scrhijft JWK op pag. 29 van Levensheiliging.  "De taak van de wonderdoener wordt derhalve het ontkennen van de ontkenning  van de waarheid," zo stelt de Cursus het (ECIW:T12.II.1:5) Het komt beiden op hetzelfde neer. Treffend is ook Kaiser's bespreking van het verhaal van Gautama Boeddha, op pag. 31, vv., dat eigenlijk de omschakeling beschrijft van de speciale relatie tot de heilige relatie. Dit is de verschuiving van het ego motto van "een ander kan gevonden worden," naar het centraal stellen van de enige waarachtige relatie van de Zoon tot de Vader, waardoor àl onze relaties dus in een ander licht komen te staan.
Op pag. 40 beschrijft JWK Jezus als volgt:  "Jezus, Gods Redding, de onstoffelijke brug van schepsel naar Schepper. Jezu, die geen stervend tijdsmens is, noch een eenmalige verschijning, maar die als Goddelijk Proces gestalte aanneemt in iedere mens, die - getrokken door de hunkering naar de Nameloze, die deze Onweerstaanbare zelf wekt - Gods werk aan zich voltrekken laat in overgave." Leg daarnaast Ken Wapnick's uitleg van Jezus, op basis van de Cursus: "Jesus is a what, who looks like a who, because you think you're a who," in het Nederlands: "Jezus is een wat, die op een wie lijkt omdaty jij denkt dat je een wie bent." Kortom, wij zijn ware geest, and Jezus is ware geest die vorm heeft aangenomen omdat wij onszelf zo zien, en daarom noemt de Cursus hem dus ook de manifestatie van de Heilige Geest.
Tenslotte eindigt het boek in een uitnodiging om te midden van alle crises die wij ervaren mochten, altijd de Toegestoken Hand (van God's Hulp) te grijpen, en zo de lang uitgestelde thuisweg alsnog aan te vangen.
Tot slot kan ik alleen maar hopen dat deze kleine ontdekkingsreis de lezer kan helpen dit boekje toegankelijk te maken. Kaiser's wonderschone taalgebruik kan keer op keer verder en dieper genoten worden, en hij kan ons een ware metgezel zijn in onze zwaarste uren. Dat en niets anders is de zin van het werk waaraan zijn leven gewijd was. Ten diepste is hij er steeds van doordrongen dat het pad voor ons allen in vorm altijd anders is, maar inhoudelijk altijd gelijk, en alweer wie de Cursus bestudeerd heeft, ziet daar dezelfde themas. Verder wil ik allerminst Kaiser met de Cursus verwarren of omgekeerd, maar voor mij blijft het een kwestie van doorlopende integratie waarin ik meer en meer waardeer dat zijn uitdrukkingwijze en die van de Cursus weliswaar totaal verschillend zijn, maar dat ze inhoudelijk dezelfde leer vertegenwoordigen, en elkaar dus in die zin van tijd tot tijd kunnen aanvullen en versterken. Beiden zijn een uitdrukking van de leer van Jezus in moderne taal, zij het ook dat beiden soms niet makkelijk toegankelijk zijn wegens een zeker formeel taalgebruik, waarvan de schoonheid zich pas allengs openbaart, naar mate we ervarings gewijs meer met de inhoud van het materiaal vertrouwd raken.

1 opmerking:

  1. Zo compromisloos in hun Godvrezendheid als de gelovigen vanaf het spreekgestoelte werden toegesproken in de gangbare kerken tot zo’n 50 jaar geleden, zo compromisloos was Kaiser in zijn toedienen van het tegengif. In een schijnbaar gelijke stijl maar dan volledig alles op z’n kop zettend, zoals later de Cursus dat ook zou doen, even compromisloos in een weer wat andere stijl. Zoals de basisregel in de homoeopathie luidt: het gelijke wordt met het gelijke bestreden.

    Om de ingesleten eeuwenoude gewoontes van zondaarschap, martelaarschap en schijnheilige nederigheid om te kunnen draaien zijn er ‘wakkerschudders’, ‘klokkenluiders’ nodig, aangepast aan de heersende tijd, zodat het herkend kan worden.

    En ook hier geld dan weer wie oren heeft die hore, en verwar niet de boodschapper met de boodschap. Compromisloosheid in een mens komt nogal eens naar voren als een zekere hardheid, botheid, en weestand opwekkend. En een neiging een persoon als idool te beschouwen ver verheven boven de rest en met een zeker angst en vrees bekeken. Als dit wordt misverstaan kan dit leiden tot wat de Cursus noemt een autoriteitsprobleem, de weerspiegeling van het autoriteitsprobleem wat we allemaal hebben tov God, voortkomend uit de angst voor God en dankbaar door het ego gebruikt en geprojecteerd in daarvoor geschikte vormen. Die vervolgens een eigen leven gaan lijden afgescheiden van de boodschap die ze eigenlijk uit willen dragen. Een boodschap die herkend wordt door degene die bereid zijn de afscheiding te laten helen vanuit geest in plaats vanuit de vorm.

    BeantwoordenVerwijderen