23 november 2009

Sprokenwijsheid: De schone slaapster

In Sprokenwijsheid heeft Kaiser ons een diepe innerlijke aansluiting meegegeven op een waarheid die weliswaar in ons leeft, maar die wij maar al te graag over het hoofd zien, totdat er een wending plaats vindt in ons leven, en wij geleidelijk aan beginnen te vermoeden dat het juist die diepverborgen ongekende waarheid is die ons trekt, om terug te keren tot onze bron, tot God, in plaats van ons steeds weer en steeds meer in de wereld te verliezen.

Een Cursus in Wonderen brengt op humoristische wijze hetzelfde thema in de Bijbel naar voren, door op te merken dat er wel staat dat Adam in slaap viel maar er nergens aan gerefereerd wordt dat hij wakker werd. (ECIW:T2.I.3-4) En de Cursus gaat natuurlijk over het ontwaken, want alle vergeving is niet anders dan het loslaten van onze eigen wil die met God overhoop ligt, en te leren in plaats daarvan onze Leiding te zoeken in de wijze liefde van de Heilige Geest, die ons weer naar huis leiden wil. Het thema van de schone slaapster wordt in de Cursus als volgt weergegeven, met een onmiskenbare toespeling op het sprookje:

Zij die speciaal zijn, zijn allen in slaap, omgeven door een wereld van lieflijkheid die ze niet zien. Vrijheid, vrede en vreugde staan hier, naast de baar waarop ze slapen, en roepen hen toe tevoorschijn te komen en uit de droom des doods te ontwaken. Maar zij horen niets. Ze zijn verzonken in dromen van speciaalheid. Ze haten de roep die hen wekken wil, en vervloeken God omdat Hij hun dromen niet tot werkelijkheid heeft gemaakt. Vervloek God en sterf, maar niet door de hand van Hem die de dood niet heeft gemaakt, maar enkel in de droom. Open je ogen een beetje; zie de verlosser die God jou gegeven heeft, opdat je hem zou kunnen zien en hem zijn geboorterecht terug zou kunnen geven. Het is het jouwe. (ECIW:T24.III.7)
 Er ligt natuurlijk ook een toespeling in besloten aan de episode in Genesis waar Esau zijn eerst geboorterecht aan Jacob verkoopt, en in termen van de Cursus mogen wij ook denken aan T26.IX.6:1 - De heiligste van alle plekken op aarde is waar een oeroude haat een huidige liefde is geworden. Kortom, waar de haat van het afgescheiden ego bestaan wordt losgelaten en wij in onze broeder, met wie wij in de strijd om het bestaan verwikkeld waren, eindelijk ons ware Zelf herkennen, en dus het gelaat van Christus zien in plaats van de afgunst en haat van het ego. Dat is de "kus" van de Prins, of van Jezus (immers een Prins is de Zoon van de Koning), die onze ziel ontwaken doet uit de eeuwenlange sluimering van het bestaan in de tijd, dat niets anders blijkt dan eindeloze herhaling van steeds dezelfde afscheidings gedachte.

Hoe belangrijk is het dus niet dat wij beseffen dat wij die schone slaapster zijn, of, in de woorden van andere sproken, bevangen door een toverspreuk, want dat is het ego natuurlijk, een gevangenschap, een slavernij, een complete bedwelming, een droom, die ons van ons ware leven berooft. Totdat, totdat...

Zoals gewoonlijk geeft het materiaal uit de Cursus ook duidelijk aan de weerstand die wij hebben tegen het ontwaken, omdat wij ons in onze angst voor de liefde van God vastklampen aan de valse persoonlijkheid die wij denken te zijn, en dus met alle macht willen blijven dromen. Kaiser beschrijft dit elders prachtig in zijn bespreking van het boek Exodus, hoezeer wij steeds terug willen keren tot de "vleespotten van Egypte," en dus in feite bang zijn voor de belofte van het "beloofde land," dat ons vrijheid zal bieden, net als een stel gijzelaars met Stockholm-syndroom, die zich aan hun kidnappers vast blijven klampen. Een zeker respect voor deze weerstand is een zeer behulpzaam inzicht in tijden dat het lijkt of wij dag na dag steeds hetzelfde moeten vergeven, omdat wij ons zó totaal vastgebeten hebben in onze oude patronen, dat wij dus zelfs de "Prins" die ons verlossen komt van tijd tot tijd als een bedreiging zien. De poëzie van Helen Schucman geeft vele voorbeelden van deze ambivalentie in onze relatie met Jezus.

Rogier F. van Vlissingen

2 opmerkingen:

  1. Het is inderdaad een belangrijk inzicht te zien en ervaren hoezeer ik me afzet en verdedig tegen Jezus en God, door middel van een complete droomwereld op te werpen waarin ik mijn eigen zoon en god maak die ik de opdracht heb gegeven zich van elkaar af te scheiden en een doorlopend duel van aanval en verdediging in stand te houden. Deze 'speciale' eigenschappen die ik Jezus en God heb toebedacht, zijn in werkelijkheid onmogelijk, dat wat onafscheidelijk en onveranderlijk héél is kan nooit gescheiden worden. Vandaar dat Een cursus in wonderen stelt dat ik Jezus en God moet vergeven wat onmogelijk gebeurt kan zijn.
    'Vergeef je Vader dat het niet Zijn Wil was dat jij gekruisigd werd.' (T24.III.8:13)

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Met verbazing en genoegen heb ik het gelezen. Stil wordt ik ervan. Wil wel een reactie geven, maar weet niet wat. Ik pak de Cursus en lees het volgende:

    'En nu sta je in ontzetting voor datgene wat je gezworen hebt nooit te zullen bekijken. Je ogen zijn terneergeslagen bij de herinnering aan wat jij je 'vrienden' hebt beloofd. De 'liefelijkheid' van de zonde, de delicate verlokkelijkheid van schuld, het 'heilige' wassen beeld van de dood, en de angst voor de wraak van het ego dat jij in bloed hebt gezworen hebt niet af te vallen, die dit alles verheft en gelast jou je ogen niet op te slaan. Want je beseft dat, als je hiernaar kijkt en de sluier opgetild laat worden 'zij' voorgoed verdwenen zullen zijn. Al je 'vrienden', je 'beschermers' en heel je 'thuis' zullen verdwijnen. Niets van wat je nu herinnert zul jij je dan herinneren.'
    T.19.IV(.D.)6.

    Ik til maar langzaam de sluier op, doe hem weer snel toe, steeds een stapje verder, anders kan ik het (schijnbaar) echt nog niet aan. Pfff what a dream.

    BeantwoordenVerwijderen